DE RELATIE TUSSEN VOEDING EN GEDRAG BIJ KINDEREN
![]() Iedereen weet dat het gebruik van koffie en cola opwekkend werkt en zo onze slaap kan beïnvloeden even zo goed weten we allemaal welke invloed alcohol op ons systeem heeft. We weten dat medicijnen bijwerkingen kunnen hebben als slaperigheid en sufheid enzovoorts. Hierbij is dus duidelijk dat hetgeen we innemen van invloed is op ons gedrag. Ook weet iedereen dat een gezonde voeding noodzakelijk is voor het gezond houden en goed laten functioneren van ons lichaam. Gezonde voeding is echter ook van belang voor ons geestelijk functioneren.
Wat niet iedereen weet is dat een snel groeiend aantal kinderen/mensen overgevoelig, allergisch of intolerant is voor voedingsmiddelen. Onze voeding is excessief veranderd in een betrekkelijk korte tijd en staat bol van de bewerkingen en toevoegingen. Ook het gebruik van geraffineerde suiker is explosief gestegen. Met alle gevolgen van dien. SYMPTOMEN
Symptomen van voedselovergevoeligheid kunnen zich in allerlei vormen voordoen zoals: Meest bij jonge kinderen:
Veel voorkomende symptomen bij grotere kinderen:
Vaak zien deze kinderen weinig of geen gevaar of kunnen juist overmatig angstig zijn. Maar ook gedragsstoornissen als agressie en onvoorspelbaar gedrag: extreem lief of juist extreem moeilijk gedrag komen voor. Als een bepaald voedingsmiddel waar overgevoeligheid voor bestaat dagelijks of regelmatig gegeten word, zijn de klachten bijna altijd aanwezig en worden daardoor niet gerelateerd aan de mogelijke oorzaak.
GEDRAG Bij kinderen zijn gedragsveranderingen als gevolg van voedselovergevoeligheid meestal beter waarneembaar als bij volwassenen, volwassenen kunnen hun gedrag beter controleren en hebben over het algemeen minder heftige of andere reacties. Kinderen kunnen zonder ogenschijnlijk duidelijke aanleiding ineens onrustig dwars of onhandelbaar worden en ruzie maken of agressief worden. Anderen kinderen worden hyperactief. Slaapgebrek en oververmoeidheid dragen op termijn bij aan concentratieproblemen en leerproblematiek. Het kind kan door zijn gedrag in een sociaal isolement raken en is een zware belasting voor het gezin en de omgeving. Soms lukt het een kind om bepaald soort gedrag in een andere situatie weg te stoppen, wat tot nog meer onbegrip leidt omdat het kind zich elders wel naar behoren gedraagt. Vaak leidt het kind zelf het meest onder de hele situatie. Het wil zich graag anders gedragen maar kan zich niet anders gedragen en voelt zich heel ongelukkig. Dergelijke kinderen ontwikkelen in de loop der jaren een dan ook een slecht zelfbeeld. De oorzaak van het gedrag wordt door de omgeving gezocht in de opvoeding en ook professionele hulpverleners staan machteloos. Veel kinderen krijgen het predikaat ADHD of PDD-NOS. "BOOSDOENERS"
Voedingmiddelen die het meest als boosdoener gezien worden zijn melkproducten, varkensvlees, suiker en additieven (toevoegingen). Helaas betreft het even zo vaak dagelijks gebruikte voedingsmiddelen, zoals granen bepaalde fruit en groentesoorten BEHANDELING Het is van belang dat onderzocht word waar een kind gevoelig voor is en wat de overgevoeligheid veroorzaakt. Door aanpassingen op het gebied van voeding en indien nodig het aanvullen van tekorten kunnen veel klachten aanzienlij verbeteren of verdwijnen. Door middel van de bioresonantie-therapie kunnen verstoringen die de overgevoeligheid veroorzaken herstellen. Voorwaarde blijft echter de onvoorwaardelijke bereidheid van ouders en kind om aanpassingen op voedings gebied te maken. De ervaring heeft geleerd dat des te jonger men hiermee van start gaat des meer succes er behaald word. Adolescenten zijn in het algemeen veel minder bereid tot het maken van aanpassingen op dit gebied.
Electro-acupunctuur en Bioresonantie therapie zijn bij uitstek geschikt voor de behandeling van kinderen. Het zijn veilige en pijnloze methodes. Deze behandelmethodes zijn geschikt voor de behandeling van o.m. allergieën, intoleranties, huidaandoeningen, angststoornissen, slaapstoornissen, ADHD. Tekort aan vitamine D3 verhoogt kans op voedselallergie en eczeem bij kinderen Een tekort aan vitamine D3 vergroot de kans op eczeem en voedselallergie bij kinderen, blijkt uit nieuw onderzoek. De incidentie van eczeem en allergie voor eieren en pinda’s kon namelijk gelinkt worden aan het aantal zonuren in een gebied en daarmee aan de gemiddelde hoeveelheid lichaamseigen vitamine D3. De studie is uitgevoerd door het European Centre for Envioronment & Human Health in Groot Brittannië, onder leiding van dr. Nick Osborne, en bestond uit een analyse van Australische data. Australië is door zijn uitgestrektheid zeer geschikt om onderzoek te doen naar mogelijke verbanden met breedtegraden en uren zonlicht. Osborne vergeleek de gegevens van vier- en vijfjarigen en acht- en negenjarigen uit het zonrijke noorden van Australië met die uit het zuiden. In totaal betrof het onderzoek de data van 7600 kinderen. "Tot onze verrassing ontdekten we dat het aantal allergiegevallen bij kinderen in het noorden, dicht bij de evenaar, laag is, maar dat de incidentie stijgt als we opschuiven richting het midden en het zuiden van het land.” In de groep acht- en negenjarigen is de kans op een pinda-allergie in het uiterste zuiden bijvoorbeeld zes keer zo groot als in het uiterste noorden. Eczeem komt in het zuiden twee keer zoveel voor. Volgens Osborne moet er nog verder onderzoek gedaan worden. Extra toediening van vitamine D3 kan nodig zijn, verklaart hij, hoewel vaker buiten spelen mogelijk net zo effectief is. Het onderzoek wordt gepubliceerd in het gerenommeerde tijdschrift Journal of Allergy and Clinical Immunology, uitgave februari 2012. BRON: Sanopharm Geplaatst op 14-2-2012 Relatie ADHD en voeding
Relatie ADHD en voeding In de INCA-(Impact of Nutrition on Children with ADHD) studie van het ADHD Onderzoekscentrum in Eindhoven is gebleken dat symptomen en gedrag van kinderen met ADHD gunstig worden beïnvloed met een eliminatiedieet. De resultaten van het onderzoek zijn geplaatst in het toonaangevend wetenschappelijk tijdschrift The Lancet. Conclusies die uit dit onderzoek naar voren zijn gekomen wijzen op een relatie tussen voeding en ADHD. Er zou dan niet altijd sprake zijn van een voedselallergie maar gaan om voedsel-intolerantie of pseudo-allergie. Dit is slecht nieuws voor de farmaceutische industrie waar jaarlijks miljarden omgaan om ADHD te medicaliseren.
Het onderzoek heeft aangetoond dat onder deskundige begeleiding het zinvol is het Restricted Elimination Diet (RED) standaard toe te passen bij kinderen met ADHD en/of ODD om overgevoeligheid voor bepaalde voedingsstoffen vast te stellen. Tegelijkertijd toont het onderzoek aan dat het niet zinvol is om met behulp van IgG-bloedonderzoek uit te sluiten om welke voedingsmiddelen het gaat. Hoewel door de orthomoleculaire visie al veel bekend is over de relatie voeding en gedrag(stoornissen) is toch door dit reguliere onderzoek de toon gezet om met behulp van wetenschappelijk getoetste protocollen duidelijkheid te krijgen over de invloed van voeding en andere omgevingsfactoren op gedrag(problemen) bij kinderen. Bron MBOG Lineke Reerink
Geplaatst op 10-02-2012
Lage vitamine B12-status tijdens zwangerschap: meer kans op een huilbaby Het Amsterdamse ABCD-onderzoek (Amsterdam Born Children and their Development), gestart in 2003, is een langlopend onderzoek naar de gezondheid van ruim 8.000 kinderen. In dit onderzoek worden kinderen gevolgd vanaf de zwangerschap tot de volwassen leeftijd. Onderzocht wordt of de gezondheid van de kinderen, bij de geboorte en op latere leeftijd, wordt beïnvloed door de leefgewoonten en omstandigheden tijdens de zwangerschap van de moeder. De nieuwste resultaten van het ABCD-onderzoek, gevonden door gezondheidswetenschapper Geertje Goedhart-de Wolf en haar collega’s en gepubliceerd in het internationale tijdschrift ‘Early Human Development’, wijzen op een verband tussen een lage vitamine B12-status bij de zwangere vrouw en een verhoogde kans op het krijgen van een huilbaby. Vergeleken met vrouwen met het hoogste vitamine B12-gehalte (> 424,9 pg/ml), hebben vrouwen met een lager vitamine B12-gehalte een significant groter risico op het krijgen van een huilbaby. Van de vrouwen met een hoog vitamine B12-gehalte had 1% een huilbaby, in tegenstelling tot 5% van de vrouwen met het laagste vitamine B12-gehalte(< 251,2 pg/ml). Een baby wordt door kinderartsen als ‘huilbaby’ aangeduid indien de baby gemiddeld meer dan 3 uur per dag op ten minste 3 dagen per week en gedurende minimaal 3 weken huilt. Oorzaken van huilen kunnen zeer divers zijn en vaak is er sprake van een combinatie van oorzaken. Honger, gastro-intestinale problemen, oorontstekingen, ontregeling van het centrale zenuwstelsel en de hormoonhuishouding, allergieën, een slechte ouder-kindrelatie, darmkrampjes en natuurlijk de persoonlijkheid van de baby zijn bekende oorzaken van huilen. Ook problemen in het slaap-waakritme van de baby kunnen ervoor zorgen dat de baby overmatig huilt. Op dit laatste kan vitamine B12 invloed uitoefenen. Vitamine B12 speelt een rol bij de rijping van het slaap-waakritme. Deze rijping begint al in de baarmoeder, maar gaat ook na de geboorte nog enkele maanden door. Een laag vitamine B12-niveau voorkomt de vrijmaking van het slaaphormoon melatonine. Daarnaast beïnvloedt vitamine B12 de ontwikkeling van zenuwcellen van de baby. Een tekort aan vitamine B12 kan er voor zorgen dat zenuwcellen zich niet voldoende ontwikkelen, waardoor baby’s prikkelbaarder kunnen worden en veel gaan huilen. Bron: Goedhart G. et al: Maternal vitamin B-12 and folate status during pregnancy and excessive infant crying; Early Human Development 87:309–314, 2011. Geplaatst op 09-02-2012
Relatie voedingspatroon en ADHD bewezen Bij het onderzoek, waaraan onder meer wetenschappers van het ADHD Research Centrum in Eindhoven en van Wageningen University hebben meegewerkt, werd een groep van honderd kinderen met ADHD verdeeld in een controle- en een dieetgroep. Tijdens de eerste fase van het onderzoek kreeg de controlegroep adviezen over gezonde voeding, terwijl de dieetgroep gedurende vijf weken een individueel eliminatiedieet volgde, het zgn. Pelsser-Voeding en Gedrag-dieet (PVG-dieet, bestaande uit rijst, lamsvlees, sla, peren en water (Few Foods Diet), aangevuld met een aantal specifieke voedingsmiddelen, zoals aardappelen, fruit en tarwe). Alle kinderen kregen enkele keren een bloedonderzoek. Kinderen in de dieetgroep die positief reageerden met een gedragsverbetering van ten minste 40% gingen na het dieet verder met de tweede fase van het onderzoek. Twee verschillende groepjes van drie voedingsmiddelen werden om de beurt toegevoegd aan het dieet. Een van deze zgn. provocaties bestond uit voeding waartegen bij het bloedonderzoek een hoog antistofgehalte (IgG) was gevonden, de andere bestond uit laag-IgG voeding. Kinderen uit de controlegroep kregen na afloop van het onderzoek de mogelijkheid om te starten met het individueel eliminatiedieet. Na vijf weken eliminatiedieet werden bij 32 van de 50 kinderen (64%) in de dieetgroep grote gedragsverbeteringen geconstateerd. Bij al deze kinderen was er na het dieet geen sprake meer van ADHD. In de controlegroep was er geen verschil in het gedrag van de kinderen meetbaar. Tijdens de tweede fase van het onderzoek reageerden 19 van de 30 deelnemende kinderen (63%) met gedragsverslechtering op zowel hoog-IgG voedingsmiddelen als op laag-IgG voedingsmiddelen. De belangrijkste conclusies van deze studie: Voedingsmiddelen kunnen ADHD-gedrag veroorzaken; Een eliminatiedieet onder begeleiding kan de boosdoeners in de voeding identificeren; IgG-bloedonderzoeken kunnen deze voedingsmiddelen niet identificeren; Bij 64% van de kinderen kan ADHD verdwijnen met behulp van een dieet en goede begeleiding, waardoor ook medicijnen als Ritalin en Concerta niet meer nodig zijn. Volgens de onderzoekers is een individueel eliminatiedieet onder streng toezicht een waardevol instrument om vast te stellen of ADHD wordt veroorzaakt door de voeding. Het voorschrijven van diëten op basis van IgG-bloedonderzoeken moet volgens hen worden ontraden. Bron: Pelsser LM et al: Effects of a restricted elimination diet on the behaviour of children with attention-deficit hyperactivity disorder (INCA study): a randomised controlled trial; Lancet 377:494–503, febr. 2011. Geplaatst op 07-02-2012
Vitamine D helpt tegen luchtweginfecties bij pasgeboren baby’s Op 9 mei jl. zijn deze resultaten gepubliceerd in het tijdschrift ‘Pediatrics’. Uit dit onderzoek blijkt dat 54% van de pasgeboren baby’s een ontoereikend vitamine D-gehalte heeft en maar liefst 27% een vitamine D-deficiëntie (minder dan 50 nanomol vitamine D per liter). Vitamine D speelt onder andere een belangrijke rol bij de ontwikkeling van het afweersysteem. Vitamine D kan in de huid vanuit cholesterol worden aangemaakt onder invloed van zonlicht. Hierdoor is het vitamine D-gehalte van de baby sterk afhankelijk van het geboorteseizoen. In de zomer zijn de concentraties ongeveer anderhalf maal zo hoog als in de winter. Luchtweginfecties bij baby’s en jonge kinderen worden vaak veroorzaakt door het zeer besmettelijke Respiratoir Syncytiaal-virus (RS-virus). Bijna alle kinderen krijgen in het eerste levensjaar te maken met een infectie van dit virus. Bij 10% ontstaat een ernstige infectie van de lagere luchtwegen. Het RS-virus is dan ook de belangrijkste oorzaak van ziekenhuisopnames voor jonge kinderen. De symptomen lijken op een hevige verkoudheid, waarbij de neus is verstopt en zich slijm in de longen bevindt. De baby kan tijdens de infectie last krijgen van benauwdheid en hoestbuien waarbij slijm wordt opgehoest. Oudere kinderen en volwassenen kunnen zich beter tegen het virus verdedigen waardoor het zich meestal alleen uit in de vorm van een verkoudheid. Het onderzoek van het UMC betrof een prospectief geboortecohort met 156 pasgeboren, gezonde baby’s. Het vitamine D-gehalte werd direct na de geboorte gemeten in het navelstrengbloed. Vervolgens werden de baby’s gedurende één jaar gevolgd. Gedurende dit jaar registreerden de ouders de aanwezigheid en ernst van respiratoire symptomen en controleerden de onderzoekers aan de hand van een neus-keel monster in laboratoriumonderzoek op de aanwezigheid van het RS-virus. Van de 156 baby’s kregen er 18 te maken met een ernstige infectie van de lagere luchtwegen met het RS-virus. Er werd een significante associatie gevonden tussen vitamine D-gehalte in het navelstrengbloed en het risico op een RS-virusinfectie. De kinderen met de laagste concentraties vitamine D (minder dan 50 nanomol per liter) bleken een zes keer grotere kans op een RS-virusinfectie te hebben dan de baby’s met de hoogste vitamine D-gehaltes (vanaf 75 nanomol per liter). De Gezondheidsraad adviseert zwangere vrouwen dagelijks 10 mcg vitamine D extra te gebruiken. De behoefte van zwangere vrouwen aan vitamine D ligt hoger in verband met de ontwikkeling van de foetus. Indien zwangere vrouwen zich aan dit advies houden, kunnen dergelijke infecties worden voorkomen. In dit onderzoek slikte nog niet de helft van de vrouwen vitamine D tijdens de zwangerschap. Belderbos ME et al: ‘Cord Blood Vitamin D Deficiency is Associated With Respiratory Syncytial Virus Bronchiolitis’; Pediatrics, 9 mei 2011 ![]() Geplaatst op 08-02-2012
Verslavende & Demotiverende voeding
Exorfinen (gluten en melk) zijn opiaatachtige voedingsstoffen die de werking van de lichaamseigen endorfine afremt, met gevolg dat de vrijgave van dopamine en serotonine wordt geblokkeerd.
Het gebruik van tarwe en melkproducten zijn de laatste jaren fors toegenomen. De gluten concentraties in tarwe zijn eveneens toegenomen . Ook worden er meer sojaproducten gegeten. Al deze voedingsmiddelen bevatten de zogenaamde exorfinen. Exorfinen zijn opiaatachtige voedingsstoffen die de werking van de lichaamseigen endorfine afremt. Endorfines zijn lichaamseigen stoffen, vaak polypeptides (een kleine keten aan aminozuren), die als neurotransmitter fungeren. Neurotransmitters worden door de ene zenuwcel in een synaps vrijgelaten, in de andere zenuwcel zitten receptoren voor de betreffende stof. Receptoren zijn eiwitten in het celmembraan, het cytoplasma of de celkern, waar een specifiek molecuul aan kan binden. Receptoren kunnen signalen van binnen of buiten de cel doorgeven. Wanneer een molecuul aan een receptor bindt, kan de receptor een cellulaire respons op gang brengen. Een dergelijke cellulaire respons kan opgewekt worden, door een lichaamseigen (endogene) stof, een neurotransmitter, hormonen, cytokinen (eiwit die in rol speelt in de immuun afweer) of een lichaamsvreemde (exogene) stof (zoals antigenen). Exorfinen-intolerantie De opiaat-achtige bestanddelen uit bepaalde voedingsmiddelen hechten zich op de endorfine receptoren, de zogenaamde 'mu opioïde receptoren' of MOR. In gezonde omstandigheden heeft het lichaam de beschikking over een enzym (DPP-IV) dat deze exorfinen neutraliseert. Door een overmaat aan exorfinen, genetische factoren en omgevingsfactoren die de werking van dit enzym afremmen, ontstaat er een exorfinen overbelasting. Als gevolg hiervan wordt de vrijgave van dopamine en serotonine geblokkeerd.
Dopamine heeft een motiverende uitwerking op onze stemming, dus mensen met een exorfinen- intolerantie moeten oppassen dat ze geen ‘demotiverend dieet’ gebruiken. Exorfinen (gluten, melk, spinazie) belemmeren namelijk de werking van bèta-endorfine op de Mu-opioïde receptoren (MOR) in het mesolimbisch dopamine systeem, waardoor de vrijgave van dopamine wordt geremd. Exorfinen worden in de dunne darm door het enzym elastase geactiveerd. Daarna komen ze in de bloedbaan en worden binnen het half uur door het enzym DPP-IV omgezet in aminozuren. Exorfinen zijn in hoge mate aanwezig in gluten en melk, maar worden ook geproduceerd door een aantal pathogene micro-organismen. Het gaat hier dus niet zozeer om de lactose (melksuiker) dat een probleem vormt maar de caseïne (melkeiwit). Een lactosevrij dieet helpt dus niet bij een exorfinen intolerantie. Een pizza werkt demotiverendGlutenhoudende levensmiddelen zoals brood, pasta en pizza remmen de opname van zink. Zink is nodig bij de werking van meer dan 300 enzymen. Enzymen die onder meer instaan voor de aanmaak van neurotransmitters, bescherming tegen exorfinen en tevens nodig zijn bij allerlei ontgiftingsprocessen. Hoe smakelijk tarwe en melkproducten ook zijn, in een milieubelastende omgeving vormen ze voor veel mensen een reëel gezondheidsprobleem. Mensen met een exorfinen belasting (ook wel MOR-agonisten genoemd) hebben slecht werkende Mu-opioïde receptoren (MOR's). Doordat de MOR’s stressverlagend werken, zullen deze mensen sneller stress ervaren en gevoeliger zijn voor zintuiglijke prikkels. Deze vorm van ‘hyper sensitiviteit’ veroorzaakt sneller eetstoornissen, angst, aandachtstoornis, verslaving, impulsiviteit, dwangmatig gedrag, endogene depressie, stress stoornis, astma, autisme, psychose, schizofrenie, chronische vermoeidheid, auto-immuunziekten, ADD, ADHD, ASS en laag gradige ontstekingen. Falend endorfine systeem Mensen met een falend endorfine systeem zijn vaak therapieresistent. Mensen die met o.a. psychotherapie, mindfulness en coaching met stress, prikkels en trauma's leren omgaan, moeten vechten tegen een ‘ biologische coping’ die tegenwerkt. Ook al heeft men de juiste gesprekstherapie, past men de juiste ontspanningtechnieken toe, de onrust en spanning met een biologische oorzaak blijft vaak domineren.
We noemen een aantal kenmerken bij een falend endorfine systeem door exorfinen. Overgevoeligheid voor emotionele en sensorische prikkels
Gevoeligheid voor geuren. Men ruikt geuren die voor andere mensen niet waarneembaar zijn.
Sommige geuren wekken misselijkheid en reacties op die ook gezien worden bij MCS. MCS (ofwel multiple chemical sensitivity) is in Nederland nauwelijks bekend. Het is een overgevoeligheid voor geuren van stoffen en voor chemicaliën: parfum, schoonmaakmiddelen, verzorgingsproducten, verf en andere chemische stoffen (ook in voeding). De klachten kunnen erg uiteenlopen van misselijkheid tot benauwd worden, hoofdpijn krijgen, concentratie verliezen, flauwvallen, etc. Hypergevoelig zijn voor aanrakingen, vooral in de hoofdstreek. De gespannenheid ten gevolge van een falend endorfine systeem veroorzaakt vaak rug, schouder en nekpijnen. De spanning wordt op een of andere manier vastgezet in het lichaam. Snel last hebben van een reflux, aangezien DPP-IV het maagzuur en de slokdarmreflex reguleert.
Serotoninestoornis en depressie Depressie kan worden veroorzaakt door een serotoninestoornis in de hersenen. Serotonine is een neurotransmitter en wordt vaak de ‘stemmingstransmitter’ genoemd. Antidepressiva worden vaak ingezet om de activiteit van serotonine te verlengen. Bij depressie kunnen koolhydraten, net zoals bij stress, het serotoninegehalte in de hersenen verhogen. Voeding verhoogt in lichte mate, in tegenstelling tot antidepressiva, het totale serotoninegehalte in de hersenen. Koolhydraten kunnen dus uw stemming positief beïnvloeden.
In het kader van exorfine intolerantie is het echter zinnig niet alleen te kijken naar de hoeveelheid koolhydraten in de voeding, maar ook naar het soort koolhydraten. Een ‘gezonde voeding’ met volkoren brood, volkoren pasta of volkoren pizza met een glaasje melk werkt dan averechts. Volle hele glutenvrije granen (zilvervliesrijst, wilde rijst, gierst, quinoa), groenten en fruit zijn voorbeelden van koolhydraat bronnen die dan beter zijn. Nog een voorbeeld van een opioïde peptide die negatieve effecten kan geven is Casomorphin. Casomorphin, een opioïde peptide uit melk (caseïne), is een histamine vrijmaker en is sterk neurotoxisch. Een te hoge histamine concentratie wordt o.a. in verband gebracht met de neiging tot rituele handelingen, dwangmatig handelen en herhalingsgedrag. De gunstige psychologische effecten van ‘bepaalde vastenkuren’ (kuren met bijvoorbeeld een week groenten en groentesappen) zijn daardoor deels te verklaren door een vermindering van opioïde peptiden. Nader onderzoek naar de relatie tussen iemands voedingspatroon en psychologische problemen is dus aan te bevelen. Visvetzuren en/of een speciaal dieet bij depressie Jongeren die vaker vis eten of meer omega 3-vetzuren (EPA en DHA) binnenkrijgen, zijn minder vaak depressief, aldus de Universiteit van Tokio in het tijdschrift Pediatrics. Ze lieten 6500 jongens en meisjes in de leeftijd van 12 tot 15 jaar verschillende vragenlijsten invullen. Men bracht daarmee de eetgewoonten in kaart van de jongeren in kaart en stelden vast of en in welke mate de kinderen leden aan depressieve symptomen.
Bij 23% van de jongens en bij 31% van de meisjes, werden depressieve symptomen vastgesteld. De jongens die vaker vis aten en meer EPA binnenkregen, hadden opmerkelijk minder vaak last van depressieve symptomen. Voor de inname van DHA bestond een soortgelijk verband, maar dit verband was minder duidelijk. Bij de meisjes werd geen effect van het eten van vis of omega 3-vetzuren op depressieve symptomen waargenomen. Jongens die veel vis eten of dagelijks veel EPA of DHA binnen krijgen, hebben dus minder vaak last van depressieve symptomen. Een andere studie toonde aan dat omega 3-vetzuren de kans vermindert op een psychose bij jongeren die hiervoor gevoelig zijn. Aan deze studie namen 81 jongeren deel in de leeftijd van 13 tot 25 jaar die een verhoogde kans hadden op een psychose. De jongeren werden gedurende 12 weken behandeld met een placebo of 1,2 gram omega 3-vetzuren per dag. Vervolgens werden ze nog 40 weken gevolgd. Uiteindelijk hadden 76 jongeren (94%) de behandeling volledig ondergaan. Na 12 maanden bleek het risico van een psychose beduidend kleiner bij de jongeren in de behandelgroep (5%) in vergelijking met de jongeren in de placebogroep (28%). Het risico van een psychose nam dus met 23% af bij omega 3-vetzuren. Daarnaast namen de symptomen duidelijk af onder invloed van de omega 3-vetzuren en verbeterde het functioneren significant. Vervolgstudies zijn gewenst om te onderzoeken of visvetzuren op de lange termijn ingezet kunnen worden ter vervanging van antipsychotica. Steeds duidelijker wordt echter, dat het geven van uitgekiende individuele diëten, gecombineerd met bepaalde aanvullingen, een vernieuwende aanpak kan zijn in de geestelijke gezondheidzorg. Te denken valt aan bepaalde supplementen (na specifiek bloed- en urineonderzoek) waaronder bepaalde vitaminen B, omega 3 - vetzuren, aminozuren en zink. Commentaar NDN Exorfinen wijzigen dus de manier waarop het lichaam met serotonine, dopamine en endorfine omgaat. Nog een voorbeeld is β-Casomorphin-7 dat de vrijgave stimuleert van intestinale mucus (slijm) secretie in de darm. Door een DPP-IV tekort kan de caseïne in melk (producten) niet worden afgebroken en wordt het darmslijmvlies sterk geïrriteerd, met complicaties zoals ontstekingen en ‘Lekkende Darm Syndroom’ (leaky gut).
Bron NDN Geplaatst op: 23-04-2012
Meer ADHD
5% van alle kinderen heeft ADHD (Attention-Deficit Hyperactivity Disorder), dat gekarakteriseerd wordt door excessief en schadelijk onaandachtig, hyperactief en impulsief gedrag. Andere onderzoeken tonen aan dat voeding aanleiding kan geven tot verschillende lichamelijke fysische reacties zoals eczeem, astma en maag-darmaandoeningen, maar ook verschillende organen kan beïnvloeden. Dit heeft geleid tot de suggestie dat voeding ook onze hersenen zou beïnvloeden, met nadelige gedragsstoornissen tot gevolg. Kleur- en smaakstoffen en andere additieven veroorzaken geen ADHD, ze hebben er wel invloed op.
Ref: Eneretica Natura Literatuur: · Richardson A. Ze zijn wat je ze te eten geeft. Standaard Uitgeverij ISBN: 10 90 02 22265 3 · Patrick Holford. Superfit met gezonde voeding. ISBN 978-90-6378-943-5 |
|
"Je kan een mens niets leren; je kan hem alleen helpen het te ontdekken in zichzelf" Galileo Galilei


